Spelling

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd vertellen wat er nu gebeurt of wat iemand vaak doet.

Voorbeelden:

  • Ik speel korfbal.
  • Thomas gaat elke week naar training.

Let op:

  • Bij ik krijgt het werkwoord geen -t → ik speel
  • Bij hij/zij/het komt er vaak wel een -t → hij speelt
  • Bij wij komt er -en achter → wij spelen