Taal
Voorzetsels
Een voorzetsel is een woord dat iets zegt over plaats, tijd, richting of manier.
Het staat meestal voor een zelfstandig naamwoord.
Voorbeelden van voorzetsels:
in, op, onder, boven, naast, achter, naar, bij, met, zonder, door, over, voor, tijdens
Het “kast-woordje”
Je kunt controleren of een woord een voorzetsel is met het kast-woordje:
Zet het woord voor “de kast”.
Bijvoorbeeld:
- in de kast ✅
- op de kast ✅
- achter de kast ✅
- boven de kast ✅
Klinkt het logisch? Dan is het een voorzetsel!
Voorbeeldzin:
De hardloper rent over de weg.
(“over” → over de kast → dat kan, dus het is een voorzetsel)
