Taal
Stam +t
Als je schrijft over hij, zij of het, gebruik je de stam van het werkwoord en voeg je een t toe.
Voorbeeld:
- Hele werkwoord: lopen
- Stam: loop
- Zin: Hij loopt naar school.
Onthoud: Bij ik gebruik je alleen de stam, zonder t. Bijvoorbeeld: Ik loop.
